Hoe kan inflatie een sluipende vorm van armoede zijn?
Inflatie is een stille dief. Geen schreeuwerige overvaller, maar iemand die ’s nachts door het huis dwaalt, lades opentrekt en telkens geld wegneemt. Niet genoeg om het direct te merken, maar wel genoeg om mij ’s ochtends met een onbestemd gevoel wakker te laten worden. Een gevoel dat er iets verdwenen is dat ik gisteren nog wél had: zekerheid, lucht, speelruimte.
Ik merk met name in de supermarkt, in de energierekening, in het gesprek met de bakker die zijn prijzen “helaas weer moest aanpassen”.
Inflatie vreet geen luxe weg, maar tijd. Tijd die ik niet langer kan besteden aan wat ik wil, maar aan wat ik moet. Je begint te rekenen, te schrapen, te schuiven met dagen en inkomsten.
En dat een rekenend leven misschien wel de subtielste vorm van armoede is
Wat mij het meest stoort, is niet dat alles duurder wordt — dat is economie; dat beweegt, dat golft, maar dat de pijn zo oneerlijk wordt verdeeld. Inflatie is als een storm die zogenaamd iedereen raakt, maar waarvan de zwaarste klappen altijd vallen op dezelfde huishoudens. De mensen die alles al moesten plannen, komen in een wereld terecht waarin elke fout, elk ongelukje, elke lekkende kraan of kapotte koelkast meteen een financiële ramp wordt. Inflatie maakt de marges dunner en de adem korter.
Terwijl ik dit zie gebeuren, vraag ik mij af waarom we zo kalm over inflatie spreken, alsof het een natuurverschijnsel is. alsof niemand er iets aan kan doen. We doen alsof inflatie een soort seizoensgebonden allergie is: hinderlijk, maar onvermijdelijk. Maar dat is een politieke keuze.
Een gevolg van systemen die gebaseerd zijn op groei, schaarste en wat eufemistisch “marktwerking” heet, maar al te vaak neerkomt op het verplaatsen van risico’s naar de zwakste schouders.
Het absurdste is misschien wel dat we inflatie bestrijden met renteverhogingen, een techniek die in essentie zegt: we maken alles nóg duurder, zodat mensen minder geld uitgeven. Alsof je brand blust door zuurstof weg te halen: ja, de vlam dooft, maar iedereen ligt met ademnood, blauw aan de rand van de samenleving.
Zo ontstaat een paradox: inflatie is geen fout in het systeem, maar een perfect functionerende component ervan. Het houdt mensen klein, vermoeid en afhankelijk. Het zorgt ervoor dat hun energie opgaat aan overleven in plaats van leven. Dat noem ik de diepste, meest onzichtbare vorm van armoede: het verlies van innerlijke ruimte.
Wat zou er gebeuren als we inflatie niet als natuurkracht, maar als een morele vraag zouden behandelen? Als we zouden erkennen dat het beschermen van koopkracht niet draait om cijfers, maar om waardigheid?
Dat indexeren van lonen en uitkeringen geen luxe is, maar een vorm van rechtvaardigheid?
Dat levensenergie een basisbehoefte is en geen gokspel voor de markt?
Misschien zouden we dan eindelijk zien dat armoede niet begint bij lege portemonnees, maar bij systemen die hun eigen mensen laten creperen, verschrompelen.
En misschien, heel misschien, zouden we dan begrijpen dat economische gezondheid nooit gemeten mag worden aan de hand van groei, maar aan de ruimte die een mens heeft om te ademen, te leven zonder angst voor de prijs van morgen.
Dat indexeren van lonen en uitkeringen geen luxe is, maar een vorm van rechtvaardigheid?
Dat levensenergie een basisbehoefte is en geen gokspel voor de markt?
Misschien zouden we dan eindelijk zien dat armoede niet begint bij lege portemonnees, maar bij systemen die hun eigen mensen laten creperen, verschrompelen.
En misschien, heel misschien, zouden we dan begrijpen dat economische gezondheid nooit gemeten mag worden aan de hand van groei, maar aan de ruimte die een mens heeft om te ademen, te leven zonder angst voor de prijzen van morgen.

