Ik ben opgegroeid met het idee dat de wereld vooruitgaat. Dat we dankzij technologie, wetenschap en economie ons steeds verder ontwikkelen, dat we groeien als mens en als samenleving. Maar hoe verder ik kijk, hoe meer ik besef dat die zogenaamde vooruitgang een sluier is geworden, een illusie die iets verhult dat pijnlijker is om onder ogen te zien: dat we onszelf misschien wel in omgekeerde richting bewegen.

Als ik de geschiedenis in mij opneem, zie ik hoe de mens ooit leefde als nomade - reizend, verbonden met het ritme van de natuur. Kamperend aan de rand van rivieren, onder de sterren, zonder bezit dat hem vasthield of verdeelde. Het leven was niet makkelijk, maar het was wederkerig. Je nam, maar je gaf ook. Je leefde met de wereld, niet erboven.

Er was geen overdaad, geen honger naar méér - alleen een voortdurende afstemming met wat er werkelijk toe deed.

Wat we nu ‘beschaving’ noemen, begon misschien ooit als iets nobels: een poging om het leven bij te schaven, te verfijnen, te verbinden. Maar ergens onderweg raakten we iets kwijt. Beschaving werd steeds minder een samenspel met de natuur, en steeds meer een systeem van beheersing - van anderen, van tijd, van grondstoffen. We bouwden muren, steden, regels, markten. En met die systemen kwam bezit. En met bezit: ongelijkheid.

De groei van rijkdom werd verheven tot ideaal. Maar wat is dat voor groei, als die plaatsvindt ten koste van de ander, van de natuur, van het klimaat? Dat is geen ontwikkeling - dat is een maligne vorm van bestaan. Een uitzaaiing van hebzucht, vermomd als succes.

Wat als vooruitgang in werkelijkheid een verhaal is dat we onszelf zijn gaan vertellen om de schade te verbloemen die we onderweg aanrichten? Want hoeveel van die zogenaamd ‘moderne’ motieven zijn eigenlijk niets anders dan oude driften - vermomd als ambitie? Macht, controle, zekerheid, status. Allemaal voortgekomen uit angst voor wat onbepaald is, voor het niet-weten, voor de openheid van het bestaan die zich niet laat begrenzen.

Juist die onbepaaldheid - of beter gezegd: onbegrensdheid - is voor mij wezenlijk. Het leven laat zich niet vangen in modellen of systemen. De werkelijkheid is veelvormig, veranderlijk, mysterieus. Waarden zijn niet universeel vast te leggen. Wat iets betekent, wat iets waard is, ontstaat in relatie - tussen mensen, tussen mens en natuur, tussen heden en verleden.

Toch hebben we een wereld gebouwd waarin alles gekwantificeerd moet worden. We zijn gaan geloven dat waarde gelijkstaat aan prijs, dat groei altijd goed is, dat vooruitgang ons zal redden. Maar ik geloof dat die fixatie ons heeft losgezongen van wat werkelijk betekenisvol is. In onze drang om te bepalen, te meten, te beheersen, zijn we de ruimte verloren - de ruimte voor het onbegrensde, het ondoorgrondelijke, het onverwachte.

We zullen opnieuw moeten leren wat het betekent om met minder te leven - minder bezit, minder haast, minder ingrijpen. Niet uit schaarste, maar uit keuze. Want juist in het minder kan het meer zich openbaren: meer aandacht, meer zorg, meer verbondenheid. Meer ruimte om te zijn, zonder dat alles meteen iets moet opleveren.

Vooruitgang is, in deze tijd, verworden tot een vorm van achteruitgang.

Een beweging weg van het besef dat we deel zijn van iets groters, iets dat niet in cijfers past.

Het is tijd dat we ‘beschaving’ opnieuw gaan bijschaven - niet als iets dat zich boven het leven verheft, maar als iets dat ons er weer deelgenoot van maakt. Het is tijd dat we leren leven met de onbegrensdheid van het bestaan - niet als bedreiging, maar als richting.

Niet vooruit, maar dieper. Niet meer, maar minder. En precies daarin: méér.